Vanmorgen dacht ik, zoals elke minuut, intens na. Ik herinnerde me, temidden van dwarrelende gedachtenstromen over vocaties en vakgebieden als wel wat met dat alles aan te vangen, dat men mij destijds in het zesde middelbaar het advies gaf geen journalistiek te kiezen, want dan moest ik veel taken doen en ik was veel te vaak te laat met taken. Maar psychologie, een ander item op mijn drie lang zijnde shortlist, was wel een goed idee, want dan moest ik veel verslagen schrijven en daar was ik goed in, aldus mijn klasleerkracht en overigens lerares Nederlands. Ik bedacht me de onzin van zo'n tegenstrijdig advies, nu ik me voorneem juist een pad te bewandelen dat erg veel schrijfwerk met zich meebrengt. Maar toen drong tot me door: stond journalistiek toen al op mijn shortlist? Hoe anders had mijn leven kunnen lopen! Hoe anders, ware het niet dat men mij meer beoordeelde in gebreke dan in kracht? En hoe vreemd is het, dat de lerares van mijn lievelingsvak – Nederlands, jawel, en ze gaf ook Engels, mijn nummer twee – mij afraadde een praktisch schrijverschap op mij te nemen?